Documentatiereeks parapsychologie
[deel 1] Inleiding in de parapsychologie
[deel 2] Psychokinese en poltergeist
[deel 4] Uittredingen en bijna-dood-ervaringen
[deel 6] Spiritisme en channeling
[deel 7] Reïncarnatieonderzoek
Spiritisme en channeling
download dit artikel
als PDF bestand![]()
door: Prof.dr. J.L.F. Gerding
Inhoudsopgave
Inleiding
1. Spontane geestverschijningen
1.1 Verschijning van een levende
1.2 Crisisverschijning
2. De opkomst van het moderne spiritisme
2.1 Het spiritisme als culturele tegenbeweging
2.2 Spiritisme en wetenschap
2.3 De séance
2.3.1 Zintuiglijke automatismen
2.3.2 Motorische automatismen
2.3.3 Glaasje draaien
2.3.4 Poltergeist
3. Interpretatie van de verschijnselen
3.1 Spelregel van de wetenschap
3.1.1 De geest die niet overleden was
3.1.2 De geest die mogelijk overleden was
3.1.3 Boek- en krantentests
3.2 Andere argumenten in de discussie
4. Meerdere visies
4.1 Bedrogshypothese
4.2 Toevalshypothese
4.3 Psychologische hypothese
4.4 Parapsychologische hypothese
4.5 Spiritistische hypothese
5. Channeling
5.1 De aard van gechannelde informatie
5.2 Waar komt de gechannelde informatie vandaan?
5.3 Stadia in het proces van ‘kanaal-worden’
5.4 Kanaal Jane Robertsen de ‘entiteit’ SethHet woord spiritisme is afgeleid van het latijnse spiritus, dat geest betekent. In de filosofie kent men een stroming die het ‘spiritualisme’ genoemd wordt. Denkers die tot deze stroming behoren, menen dat ‘het wezen der dingen’ terug te voeren is tot een geestelijke werkelijkheid. In het spiritisme komen we ook een geestelijke werkelijkheid tegen, maar in een andere betekenis. De term ‘geest’ slaat hier op overledenen. De gestorvenen zouden als geest voortbestaan in een geestelijke wereld. Het voortbestaan na de dood is een geloof dat men in alle culturen tegenkomt. Kenmerkend voor het spiritisme echter is dat men niet alleen gelooft in een voortbestaan na de dood, maar ook in de mogelijkheid dat aardse stervelingen in contact kunnen treden met overledenen.
De grondgedachte van het spiritisme luidt dus:
1. De menselijke geest overleeft de dood van het lichaam.
2. Met de overledenen kunnen wij, als nabestaanden, in contact komen.
Dit tweede punt geeft soms aanleiding tot misverstanden. Men zou kunnen denken dat het initiatief tot dit contact van ons uit moet gaan. Dat is maar ten dele het geval. Tijdens seances zijn spiritisten inderdaad bezig overledenen op te roepen. Het initiatief tot contact hoeft niet alleen van de nabestaanden uit te gaan maar kan, volgens spiritisten, ook gezocht worden door de overledenen. Boodschappen ‘van gene zijde’ dringen zich dan aan ons op zonder dat wij daar bewust op uit zijn. Dit is het geval bij de spontane geestverschijningen waarvan in de literatuur dikwijls melding gemaakt wordt.
Voor de goede orde willen wij in deze inleiding alvast een opmerking maken over de realiteit van ‘contact met overledenen’. Hieronder komt dit probleem weliswaar uitgebreider aan de orde, maar voor een goed begrip is het van belang om hier reeds het volgende te stellen. Als wij hieronder spreken over ‘geestverschijningen’of ‘contact met overledenen’, dan hebben wij het in eerste instantie over ervaringen en verschijnselen die mensen melden. Dat betekent niet dat de gemelde ervaringen zonder meer letterlijk met overledenen te maken hebben. De realiteit van contact met overledenen is in wetenschappelijke zin even onbewijsbaar als onweerlegbaar. Wij geven hieronder een overzicht van verschillende vormen van contact met overledenen, en verschillende interpretaties van deze ervaring. Wij dragen slechts informatie aan en het is aan u om te bepalen of wat spiritisten beweren nooit, altijd of soms, zeker of misschien iets te maken heeft met de overleden medemens. In ieder geval moet u het bovenstaande in gedachten houden als wij hieronder schrijven over ‘geesten’ of ‘manifestaties van overledenen’ en daarbij niet steeds die termen tussen aanhalingstekens zetten.
1. Spontane geestverschijningen
Over het algemeen verschillen opvattingen over geesten en het al dan niet bestaan ervan van cultuur tot cultuur, maar tegelijkertijd bestaat er wel degelijk een universeel beeld van het uiterlijk van de bewoners van de geestenwereld. Men stelt zich meestal een niet-stoffelijk wezen voor, een min of meer vage kopie van een mensenfiguur of een deel daarvan. De details verschillen van waarnemer tot waarnemer. Soms is de ‘geest’ gehuld in een vage witte wolk, soms in de karakteristieke kleding van de overleden persoon. De ene keer is het iemand van top tot teen, dan weer ziet men alleen een hoofd. In veel gevallen is er sprake van communicatie, soms in de vorm van een ‘gesprek’, maar ook wel door middel van gebaren en symbolen. Soms ook ziet men alleen een verschijning en is er verder geen contact.
Het waarnemen van een geestverschijning wordt meestal ervaren als een indrukwekkende gebeurtenis. Men raakt doordrongen van het besef dat er meer is dan alleen het aardse bestaan, zelfs als niet met zekerheid kan worden vastgesteld of zich werkelijk een overledene heeft gemanifesteerd. Het ontbreken van een objectief bewijs is voor degene die een geestverschijning ziet vaak niet van belang. Zo'n beleving is dermate intens en heeft zo'n diepe indruk gemaakt, dat het er niet toe doet wat anderen ervan vinden. Voor zichzelf weet men dat het een authentieke ervaring is geweest, en veel mensen denken dat zij werkelijk een geest zagen.
In de spiritistische en parapsychologische literatuur onderscheidt men verschillende soorten verschijningen. Mensen kunnen bijvoorbeeld een geestverschijning zien, terwijl degene die verschijnt niet overleden is. Soms zien mensen een verschijning, maar herkennen de verschijning niet. Ook zien mensen wel verschijningen die zij herkennen en waarvan later blijkt dat zij op dat moment stierven.
We zullen hieronder enkele voorbeelden geven. Een aantal van deze voorbeelden zijn afkomstig uit het Engeland aan het eind van de vorige eeuw. Ze zijn weliswaar gedateerd, maar in tegenstelling tot veel recente gevallen, zijn ze goed uitgezocht en gedocumenteerd door de eerste parapsychologische onderzoekers.
1.1 Verschijning van een levende
Zoals gezegd, het is mogelijk dat mensen een geestverschijning zien en herkennen, terwijl later blijkt dat degene die verscheen niet overleden is. Hier blijkt direct al het belang van onderzoek. Wie te snel conclusies trekt denkt gemakkelijk een overledene gezien te hebben.
Vader op een heuvel
“Mijn vader, zuster en ik gingen op jacht. Tegen de middag besloten mijn zuster en ik met de koetsier naar huis te gaan, terwijl mijn vader verder ging. We werden een paar minuten opgehouden, omdat iemand ons aansprak. Toen we eenmaal op weg naar huis gingen, zagen we duidelijk hoe mijn vader ons met zijn hoed toewuifde en ons beduidde hem te volgen. Hij stond op een heuveltje en er was een kuil tussen hem en ons. Mijn zuster, de koetsier en ikzelf, allemaal herkenden we mijn vader. Dat gold ook voor het paard waar hij op reed. Het paard zag er zo vuil uit, dat de koetsier opmerkte dat er een ongeluk moest zijn gebeurd. Terwijl mijn vader met zijn hoed zwaaide, zag ik duidelijk het merk er binnenin, ofschoon het door de afstand die ons scheidde absoluut onmogelijk moet zijn geweest om het te zien. Daar we vreesden dat er een ongeluk gebeurd was, reden we snel de heuvel af. Door de aard van het terrein moesten wij mijn vader uit het oog verliezen, maar het kostte ons slechts enkele seconden om de plaats te bereiken waar we hem gezien hadden. Maar daar was nergens iets van hem of iemand anders te bespeuren. We reden enige tijd rond om hem te zoeken, maar kwamen onverrichter zake thuis. Mijn vader kwam een kwartier na ons thuis. Nadat wij hem ons verhaal verteld hadden, zei hij dat hij de hele dag niet in de buurt geweest was van het veld, waar wij hem hadden gezien. Hij had dus ook niet naar ons gewuifd en hij had ook geen ongeluk gehad.”
(Uit: F.W.H. Myers, De menschelijke persoonlijkheid en haar voortbestaan na den lichamelijken dood, blz. 205-206)
1.2 Crisisverschijning
Met een crisisverschijning wordt in de parapsychologie gedoeld op het verschijnen van iemand die zich in een crisissituatie bevindt, terwijl iemand anders op een andere plaats een natuurgetrouwe kopie van diens lichaam of een deel daarvan waarneemt. Omdat dergelijke verschijningen zich dikwijls voordoen in of rond iemands stervensuur, worden zij door degenen die er getuige van zijn veelal uitgelegd als een afscheid nemen door de stervende of, als de verschijning geruime tijd voor het feitelijke overlijden wordt waargenomen, als een aankondiging van diens naderende einde.
Vader in een lijst
Samen met een Engelse vriend bezocht de Indiër Victor Duleep Singh de stad Berlijn. “Op een zaterdagavond bezochten wij een theater en keerden voor middernacht naar ons hotel terug. Ik ging naar bed en liet, zoals steeds, het licht in mijn kamer aan. Toen ik in bed lag viel mijn oog op een schilderij, dat aan de muur tegenover mijn bed hing. Duidelijk zag ik het gezicht van mijn vader voor mij. Zijn ogen waren op mij gericht. Het was alsof het schilderij verdwenen was en in plaats daarvan het hoofd van mijn vader gekomen was. Het was niet alsof ik zijn portret zag. Nee, ik zag als het ware zijn hele hoofd. Het vulde de hele ruimte tussen de lijst op. Ik keek aandachtig naar de verschijning en merkte op, dat mijn vader zeer opmerkzaam naar mij keek. Ik werd nieuwsgierig en stapte mijn bed uit om het schilderij nauwkeurig te bekijken. Het was een heel gewoon schilderij. Er stond een meisje op, dat een roos in haar hand hield en over een balkon leunde. Op de achtergrond was een poort zichtbaar. Het gezicht van het meisje was erg klein, terwijl het hoofd van mijn vader mij levensgroot verschenen was en de gehele lijst opvulde.
Ofschoon mijn vader in die dagen reeds geruime tijd ziek was, maakte ik mij helemaal niet ongerust over hem. Ik had geen enkel bericht ontvangen dat aanleiding gaf zijn overlijden binnen afzienbare tijd te verwachten.
De volgende ochtend (zondag) vertelde ik mijn reisgezel wat me overkomen was. Toen ik die zondagavond laat in het hotel kwam, bracht mijn vriend mij twee telegrammen. Ik zei meteen: “Mijn vader is overleden.” Dit was inderdaad het geval. Hij had de avond tevoren, omstreeks 9 uur, een beroerte gehad waarvan hij zich niet meer herstelde. Hij bleef bewusteloos en stierf die zondag vroeg in de middag. Mijn vader had mij dikwijls gezegd dat hij zou proberen aan mij te verschijnen als hij tijdens mijn afwezigheid zou sterven.”
(Uit: W.H.C. Tenhaeff, Het spiritisme, blz. 88-89)
Vertraagde geestverschijningen
Naar verhouding gaat het bij veel verschijningen om kennelijke manifestaties van overledenen; mensen hebben de ervaring dat het werkelijk de overledene was die verscheen. Deze ervaringen doen zich zowel 's nachts als overdag voor en hebben meestal een algemeen communicatief en soms zelfs waarschuwend karakter. Geestverschijningen worden waargenomen kort nadat de ‘oorspronkelijke persoon’ is overleden, maar soms ook vele jaren later.
Witte wolkenstof
“Op een nacht, ik was 16 jaar, werd ik wakker. Ik sliep op een etagebed, boven. Mijn zusje lag beneden, mijn moeder in dezelfde kamer aan de andere kant. De kamer was hel verlicht en daar middenin stond mijn vader. Hij glimlachte naar mij. Hij was 10 jaar eerder gestorven. Hij had een spierwit kleed aan; het leek op wolkenstof en hij kwam zwevend naar mij toe. Hij streelde over mijn benen, wat ik duidelijk voelde en glimlachte nog steeds. Ik bibberde van angst en van de zenuwen en riep: “Ga weg!”
Ineens was hij verdwenen. Diezelfde nacht droomde mijn moeder, dat hij bij haar aan het bed zat. Ik had toen een verschrikkelijke tijd achter de rug, maar doordat ik hem zag werden mijn ogen geopend en wist ik dat er veel meer was dan dit leventje.”
(Uit: D.J. Bosga, Een broertje dood aan spiritisme, blz. 37-38)
Het gaat overigens in lang niet alle gevallen om een visuele ervaring; vaak is men zich alleen maar bewust van een bepaalde aanwezigheid, men ruikt een geur of ziet een lichtverschijnsel dat met een overleden persoon in verband gebracht wordt.
Bij veel verschijningen betreft het ‘personen’ wier identiteit onbekend blijft en waarvan dan ook niet met zekerheid kan worden gezegd of het om manifestaties van overledenen gaat.
2. De opkomst van het moderne spiritisme
Geesten kunnen zich manifesteren in dromen of hallucinaties. Ook kunnen zij klopgeluiden veroorzaken, het laten waaien in huis of serviesgoed kapot gooien. Let wel, geesten kunnen dit volgens de spiritisten. Volgens de meeste parapsychologen is het lang niet zeker of er überhaupt wel geesten van overledenen bestaan. Wanneer dat in twijfel getrokken wordt, is het al helemaal voorbarig om van communicatie met overledenen te spreken. Op de mening van onderzoekers ten aanzien van de beweringen van spiritisten komen we later terug. We geven nu eerst een geestenmanifestatie die voor het spiritisme als beweging van historisch belang is. Het is een beroemd geval, dat in bijna elk handboek over parapsychologie te vinden is.
De Fox-zusjes
De familie Fox was in december 1847 verhuisd naar een huisje in Hydesville op het platteland van de Amerikaanse staat New York. Men zei dat het er spookte en inderdaad, na drie maanden begonnen ze 's nachts vreemde geluiden te horen. De twee jongste dochters, Margaret (15 jaar) en Kate (11 jaar), vonden het zo eng dat ze vroegen of ze bij hun ouders op de kamer mochten slapen. Maar het geklop hield aan en op 31 maart 1848 besloot Kate maar eens ‘een gesprek’ aan te knopen. Ze klapte een paar maal in haar handen en riep: “Doe dit eens na!” Onmiddellijk werd haar geklap nagebootst. Toen waagde ook Margaret een poging. Ze klapte vier keer en zei: “Doe nu mij eens na. Tel één, twee, drie, vier.” Er kwamen vier tikken als antwoord.
Het gezin Fox ontwierp een eenvoudige manier van communicatie met de onzichtbare klopgeest. Zij stelden vragen, die met ja (één klop) en nee (twee kloppen) beantwoord konden worden. Op deze wijze liet de klopgeest weten, dat hij de geest was van een vermoorde marskramer en dat zijn lichaam onder het huisje begraven lag. Inderdaad werd ruim 50 jaar later het skelet van een man onder het huis gevonden.
De familie Fox communiceerde regelmatig met de klopgeest en nodigde zelfs de buren uit om aan de séances mee te doen. Voor het huisje stroomden mensen van heinde en verre samen en discussieerden over de vraag of de geesten nu wel of niet echt waren.
In die tijd waren spookverschijnselen natuurlijk wel bekend. Nieuw was echter, dat de gezusters Fox probeerden met de bron ervan in gesprek te komen. De dag waarop het eerste contact tot stand kwam, 31 maart 1848, wordt daarom beschouwd als de geboortedatum van het moderne spiritisme.
2.1 Het spiritisme als culturele tegenbeweging
De gezusters Fox hebben in latere jaren veel demonstraties gegeven en séances gehouden en mede hierdoor werden velen aangemoedigd zelf contact met overledenen te zoeken. Zo werden Noord-Amerika en Europa in de tweede helft van de vorige eeuw overspoeld door een golf van spiritisme. Het was een ware rage. Niet alleen het grote publiek deed aan spiritisme, maar ook in kringen van vorstenhuizen en regeringen hield men séances.
Er zit, cultuurhistorisch gezien, een belangrijke en interessante kant aan het spiritisme. In de tijd dat het spiritisme massaal de aandacht begon te trekken, heersten er in de wetenschappelijke wereld denkbeelden waar velen zich ongemakkelijk bij begonnen te voelen. Deze denkbeelden kan men samenvatten onder de noemer ‘materialisme’. Dit is een stroming in de filosofie waarbij men uitgaat van een werkelijkheidsopvatting, waarin mens en wereld uitsluitend als ‘grofstoffelijke materie’ worden gezien. Er is dan geen plaats voor de meer geestelijke kant van de mens. De menselijke psyche wordt gereduceerd tot ‘hersenprocessen’.
Deze opvatting was niet alleen een stroming in de filosofie, maar het was een dominante manier van denken geworden in de wetenschappelijke wereld. De wetenschap boekte met deze manier van denken enorme successen. Die werden door de wetenschappelijke onderzoekers opgevat als een ondersteunend bewijs van de waarheid van hun filosofisch uitgangspunt, het materialisme.
Daarnaast hadden de kerken in die tijd minder invloed en hun macht was als vanzelf bij de wetenschap terecht gekomen. Vandaar dat de materialistische denkbeelden in de 19de-eeuw zo'n enorm stempel op de samenleving konden drukken. Het is daarom goed te begrijpen dat er bij grote groepen mensen een gevoel van onvrede begon te ontstaan. Men vond die denkbeelden misschien wel goed voor wetenschappelijke onderzoekers, maar kon ze zelf niet als wereldbeschouwing accepteren. Het opkomende spiritisme kan dan ook gezien worden als een uiting van de behoefte aan minder knellende ideeën. Het spiritisme voegde een volkomen nieuwe dimensie toe aan de wereld, zoals men die kende en interpreteerde. De gedachte dat het mogelijk zou zijn om in contact te treden met overledenen werd door de wetenschappers van die dagen niet serieus genomen. Zij vonden dit een onderwerp dat misschien goedgelovige zielen wel kon boeien, maar zelf hadden zij niet de indruk dat het iets betrof dat serieus onderzoek verdiende.
2.2 Spiritisme en wetenschap
Behalve dat het spiritisme een soort tegenbeweging was tegen de materialistische wereldbeschouwing, was het tegelijkertijd het begin van de parapsychologie. Wanneer echter bepaalde verschijnselen waar wetenschappers zich niet mee in wensen te laten, massaal worden geloofd, komt er een moment dat de wetenschap zich er toch over uit moet spreken. Stel dat er dagelijks ufo-meldingen binnenkomen. Wanneer dat maar blijft gebeuren, zal de wetenschap er toch iets over moeten zeggen, ook al vinden wetenschappers ufo's fantasieprodukten. Er komt dan toch een ufo-commissie van een belangrijke universiteit, die nagaat wat er waar is van al die meldingen.
Iets dergelijks gebeurde er in de vorige eeuw met betrekking tot het spiritisme, toen William Crookes zich met de zaak begon te bemoeien. De wetenschappelijke wereld was hier blij om. Crookes was een geleerde, een scheikundige van internationale faam. Hij zou wel snel ontdekken hoe de spiritistische mediums met list en bedrog het goedgelovige publiek al die tijd om de tuin geleid hadden. Crookes bezocht séances en kwam voor vreemde verschijnselen te staan. Hij vond niet dat de verschijnselen die hij waarnam de waarheid van de spiritistische leerstellingen bewezen, maar wel had hij het idee dat hij ‘een nieuwe psychische kracht’ had ontdekt. De wetenschappelijke wereld reageerde teleurgesteld. Men dacht dat de mediums wel heel geraffineerde bedriegers waren, omdat zij zelfs een geleerde als Crookes hadden kunnen beetnemen.
Aan de andere kant echter stond een kleine minderheid van wetenschappers die, ook vanuit onvrede met de toen heersende wereldbeschouwing, met grote belangstelling de onderzoekingen van Crookes op dit gebied gevolgd hadden. Onder hen leefde de gedachte dat wetenschappelijk onderzoek naar spiritistische verschijnselen misschien wel het raadsel van de dood kon oplossen. Dit was een uitermate inspirerende gedachte, omdat de dood al sinds mensenheugenis door filosofen en wetenschappers als één van de grootste wetenschappelijke uitdagingen werd ervaren. Wanneer het de wetenschap zou lukken werkelijk een waterdicht bewijs van een voortbestaan na de dood te leveren, zou zij een belangrijke taak hebben volbracht.
Om met dit onderzoek een begin te kunnen maken, werd in 1882 in Engeland de Society for Psychical Research (S.P.R.) opgericht. De oprichters van deze studievereniging stelden zich ten doel het wetenschappelijk onderzoek naar het voortbestaan na de dood ter hand te nemen. Men deed dit door middel van onderzoek naar telepathie tussen levenden, maar men was vooral geïnteresseerd in telepatie tussen levenden en stervenden of reeds gestorvenen.
Later zijn er in diverse landen over de hele wereld S.P.R.'s opgericht. In Nederland richtte prof. dr. G. Heymans in 1920 de Studievereniging voor Psychical Research op (SPR)(zie ook deel ... van de reeks, waar de geschiedenis van de Nederlandse parapsychologie uitvoeriger behandeld wordt).
De eerste wetenschappelijke onderzoekingen waren gebaseerd op twee gedachten. Aan de ene kant wilde men de nauwe grenzen van het toenmalige materialistische wereldbeeld doorbreken. Aan de andere kant hechtte men ook aan de wetenschap, want men probeerde objectief-wetenschappelijk te werk te gaan.
Uit dit onderzoek is uiteindelijk de parapsychologie voortgekomen. Latere onderzoekers hebben steeds meer de band met het spiritisme losgelaten. Het moderne parapsychologisch onderzoek houdt zich nu nog maar zijdelings met het spiritisme bezig en is meer gericht op onderzoek naar paranormale verschijnselen bij levende mensen.
2.3 De séance
Geesten van overledenen kunnen volgens de spiritisten worden opgeroepen tijdens een zogeheten séance. Het woord séance betekent letterlijk ‘samenkomst’. Een groepje van bijvoorbeeld zes mensen komt bij elkaar met de bedoeling contact te leggen met geesten. Er zijn verschillende manieren om dit te doen. Eén ervan verloopt via de tussenkomst van een medium, een persoon die in staat zou zijn het contact met de geestenwereld tot stand te brengen. Dikwijls verkeert het medium daarbij in een veranderde bewustzijnstoestand, een zogeheten trance-toestand. Wanneer de trance is opgewekt, kan ‘de geest’ bezit nemen van het medium en hem of haar gebruiken om zich te uiten. Dit kan bijvoorbeeld door middel van de stem. Het medium begint dan in het bijzijn van de aanzittenden te spreken met de stem van de overledene en heeft zelf nauwelijks bewust controle over die stem.
Dit spreken is slechts één van de mogelijkheden die ‘overledenen’ kunnen benutten om zich kenbaar te maken. In de parapsychologie worden de verschillende manieren die hiervoor gebruikt worden automatismen genoemd.
Er worden twee groepen automatismen onderscheiden, namelijk de zogeheten zintuiglijke automatismen en de motorische automatismen. Bij zintuiglijke automatismen wordt paranormaal verkregen informatie onbewust omgezet in een zintuiglijke voorstelling: men ‘ziet’ iets (helderziendheid) of men ‘hoort’ iets (helderhorendheid). Als paranormaal verkregen informatie onbewust omgezet wordt in een beweging, spreken we van motorische automatismen. Dat is behalve bij spreken bijvoorbeeld ook bij pendelen en automatisch schrift het geval (zie ook deel 1 van de reeks).
2.3.1 Zintuiglijke automatismen
Het medium, dat in trance is geraakt, kan ‘boodschappen van gene zijde’ doorkrijgen. Dat betekent dat hij of zij dingen ziet of hoort zeggen, die afkomstig zouden zijn van overledenen. Het medium vertelt de aanwezigen de inhoud van die waarnemingen, die deze dan wel of niet als authentiek herkennen.
Bij deze zintuiglijke automatismen in séances doet zich nog een interessant verschijnsel voor. Het medium wordt, naar eigen zeggen, dikwijls bijgestaan door een ‘helper aan gene zijde’. Dat zou een overledene zijn, een geest die enerzijds gemakkelijk de weg naar het medium in de aardse werkelijkheid weet te vinden en die anderzijds goed bekend is in de geestenwereld. Volgens de spiritisten kan het medium die helper ook opdrachten geven. Men kan zich daarbij de volgende situatie voorstellen: laten we aannemen dat er bij een séance een zekere heer P. aanwezig is, die in contact gebracht wil worden met zijn overleden vader. Het medium kan de boodschapper dan de opdracht geven de vader ‘te gaan halen’. Het kan zijn (nog altijd volgens de spiritisten) dat de vader niet daadwerkelijk kan komen, maar op zijn minst geeft hij de boodschapper een bericht mee voor zijn zoon. Ook kan de boodschapper aankondigen dat hij plaats zal maken voor de vader. De vader spreekt tot het medium, die de boodschap doorgeeft aan de aanwezigen. Het kan zelfs zover gaan dat de vader ‘bezit’ neemt van het medium. In dat geval kan het voorkomen dat het medium spreekt met een andere stem, die meedeelt de vader van de heer P. te zijn.
Deze boodschapper wordt door de spiritisten ‘controle-geest’, of kortweg ‘controle’ genoemd. Elk medium zou een eigen controle hebben. Het kunnen er ook meerdere zijn. Bovendien kan een controle-geest na verloop van tijd het medium ‘verlaten’ om verder zijn of haar weg in het geestenrijk te volgen. Men zegt dat zich in dat geval weer een nieuwe controle kan aandienen. Mediums beweren vaak dat ze tijdens hun leven meerdere controles hebben.
Het zwarte aantekenboek
Mevrouw Leonard, het medium uit dit voorbeeld, had een controle die zichzelf Feda noemde en die vertelde dat zij eens een Indiaans meisje was geweest.
Mevrouw Leonard hield twee keer een séance met mevrouw Talbot, die zij niet kende. Mevrouw Talbot zelf had nog nooit een medium bezocht. De controle, Feda, begon met een nauwkeurige beschrijving te geven van de overleden man van mevrouw Talbot. Verder vertelde zij allerlei bijzonderheden uit het verleden die alleen aan de heer en mevrouw Talbot bekend konden zijn. Plotseling begon zij een boek te beschrijven: ze zei dat het donker van kleur was en in leer gebonden. Zij gaf aan dat het tussen de twintig en vijfentwintig centimeter lang en tussen de tien en twaalf centimeter breed was. Volgens Feda was het eigenlijk geen boek. Wat er in stond was niet gedrukt, maar geschreven. Mevrouw Talbot kon dit boek niet thuisbrengen, maar zij herinnerde zich een roodleren aantekenboek van haar man, dat hij zijn ‘logboek’ had genoemd en vroeg: “Is het een logboek?” Aanvankelijk begreep Feda dit niet; zij herhaalde het woord een paar keer, maar zei toen ineens: “Ja, hij zegt dat het een logboek zou kunnen zijn.” Mevrouw Talbot stelde hierop de vraag: “Is het een rood boek?” De overledene dacht dat het mogelijk was, maar hij dacht wel dat het donkerder van kleur moest zijn. Vervolgens vertelde Feda dat mevrouw Talbot op bladzijde twaalf moest kijken: dit zou van belang zijn na hun gesprek. Zij voegde eraan toe: “Hij is er niet zeker van dat het bladzijde twaalf is, het kan ook dertien zijn. Het is zo lang geleden, maar hij wil dat u het probeert te vinden.”
Mevrouw Talbot was niet erg enthousiast over het boek. Zij had het wel eens doorgebladerd en zich afgevraagd of het wel de moeite waard was om te houden. Er stonden dingen in over schepen en over het werk van haar man, maar ook herinnerde zij zich een paar aantekeningen en dichtregels. Zij wist niet zeker meer of ze het had weggedaan of ergens opgeborgen en zei vaag dat ze ernaar zou zoeken. Maar hiermee nam Feda geen genoegen en zei: “Er zijn twee boeken, maar het boek dat hij bedoelt kunt u herkennen aan een talenoverzicht voorin: Indo-Europees, Arisch, Semitisch, enz.”
Nadat zij was thuisgekomen, begon mevrouw Talbot met tegenzin te zoeken en tenslotte vond zij op de bovenste plank van een boekenkast twee oude notitieboeken van haar man, waarvan één van zwart leer was en de door Feda opgegeven afmetingen had. Tot haar verbazing las ze binnenin: ‘Tabel van Semitische of Syro-Arabische talen’, en ‘Algemene tabel van Arische en Indo-Europese talen’. Op bladzijde dertien trof zij een uittreksel aan uit Post Mortem (Na de dood), een door een onbekende auteur geschreven boek. Het uittreksel ging over de ervaring van een stervende die ‘langvergeten gestalten, speelvrienden, schoolvrienden, gezellen uit jeugd en ouderdom’ zag. “Zij glimlachten tegen mij met de vriendelijkheid die er tussen mensen bestaat wanneer zij allen even gelukkig zijn. Ik zag mijn vader, mijn moeder en mijn zusters, die ik allen had overleefd.”
Wilde de heer Talbot, via de controle Feda en het medium mevrouw Leonard, aan zijn vrouw duidelijk maken hoe het hem ging?
(Uit: G.N.M. Tyrrell, Ontdekkingen van de parapsychologie, blz. 139-140)
Dit is een mogelijkheid tussen andere mogelijkheden. Het is ook denkbaar dat mevrouw Talbot onbewust wist dat op pagina 13 die tekst stond en dat het medium d.m.v. telepathie die informatie aan mevrouw Talbot ‘teruggaf’. In dat geval is er wel iets paranormaals gebeurd, maar niet iets dat met geesten van overledenen te maken heeft. Aan het eind van dit deel zetten we enkele verschillende verklaringen op een rij.
2.3.2 Motorische automatismen
Er komen ook situaties voor, waarbij het medium indirect contact met een geest lijkt te hebben. Dat is bijvoorbeeld het geval bij automatisch schrijven. Het medium neemt een potlood in de hand en wacht af. Wanneer de trance is ingetreden, begint de hand als het ware ‘vanzelf’ te schrijven. Op deze wijze ontstaan boodschappen die van overledenen afkomstig zouden zijn. Ook zijn er mediums die op die manier muziekstukken ‘doorkrijgen’ en zelfs portretten tekenen of schilderen wanneer zij in trance zijn. Dit alles gebeurt hoe dan ook door (onbewuste, automatische) spierbewegingen. Het zijn dus motorische automatismen. Spiritisten zullen zeggen dat geesten de spieren van het medium in beweging brengen. Parapsychologisch onderzoekers zullen, als gewone psychologische verklaringen niet opgaan, rekening houden met de mogelijkheid dat het automatisch schrift een uitingsvorm kan zijn van paranormale waarneming.
Automatisch schrift bij mevrouw Piper
Mevrouw Piper gaat zitten in een gemakkelijke stoel. Rechts van haar liggen schrijfbenodigdheden op een tafeltje. Een secretaris gaat aan tafel zitten om alles wat zij zegt op te kunnen schrijven en er is een stoel voor de consultant. Mevrouw Piper laat de handen rusten op de kussens voor haar. Na vijf minuten van alledaagse conversatie, begint zij zwaar te ademen, het hoofd valt naar voren op haar handen die op de kussens rusten, en draait zich naar links. Dan, vrij plotseling, rukt de rechterhand zich los en valt op tafel bij de schrijfbenodigheden. Er volgen 30 seconden van absolute stilte; dan ‘ontwaakt’ de hand als het ware, rijst langzaam omhoog en maakt een kruisteken in de lucht om aan te geven dat zij klaar is om te schrijven. De secretaris geeft haar een potlood tussen wijs- en middelvinger en het schrijven begint. Het automatisch schrift is groot en hanepotig en begint dikwijls niet bovenaan de bladzijde. Soms wordt vrij veel schrift op een enkel vel verkregen, soms slechts enkele regels of een paar woorden.
De trance lijkt niet anders te zijn dan een zware slaap die over haar komt. Een séance duurt ongeveer een uur. Het ontwaken uit de trance-toestand gaat geleidelijk en de toestand tussen ‘slapen’ en waken duurt verscheidene minuten. In die toestand mompelt zij half verstaanbare zinnen. Wanneer zij haar ogen opent, staren zij als die van een slaapwandelaar, tot zij vrij plotseling de natuurlijke uitdrukking aannemen en mevrouw Piper weer tot zichzelf is gekomen. Maar nog wel een half uur lang voelt zij zich licht in het hoofd en niet geheel normaal.
Er zijn nog meer hulpmiddelen die het medium ter beschikking staan. Zo kan het potlood dat gebruikt wordt voor automatisch schrift bijvoorbeeld vastgemaakt zijn aan een op wieltjes rollend plankje, een planchette genaamd. Het medium legt een hand op het plankje, beweegt deze via de door haar werkende ‘geest’ en verkrijgt op deze wijze boodschappen.
In een ander geval gebruikt men een dergelijk plankje met een wijzer eraan, het zogenaamde ouija-bord (spreek uit: ‘wieja’, het woord is afgeleid van het Franse oui en het Duitse of Nederlandse ja). Op tafel liggen dan de letters van het alfabet en de cijfers 0 tot en met 9. Het plankje, met de hand van het medium erop, rolt over de tafel en wijst steeds een letter aan. Het is ook mogelijk dat meerdere aanwezigen hun vinger op het plankje houden en zo gezamenlijk ‘sturen’. Eén van de aanwezigen noteert de aangewezen letters, in de hoop een boodschap te kunnen ontdekken.
Overbuurjongen als Engelse dichter
De informatie die tijdens een seance gegeven wordt kan aan niemand van de aanwezigen bekend zijn. Is er in zo'n geval dan toch een geest in het spel? Parapsychologen hebben ook hier in eerste instantie een andere verklaring. De mogelijkheid bestaat namelijk dat de informatie door één van de aanzittenden paranormaal is verkregen via telepathie of helderziendheid. Hier volgt een mooi voorbeeld.
In Vlissingen hield een spiritistische kring van zes personen bij één van de leden thuis een séance met behulp van kruis en bord. Er meldde zich al snel een Engelse ‘intelligentie’, die beloofde een Eveningsong (avondlied) te zullen schrijven. Het kruis tikte een aantal letters aan, die tezamen een gedicht vormden. Voor de aanzittenden was niet alles even duidelijk, omdat geen van hen de Engelse taal voldoende machtig was, maar men was erg tevreden met het resultaat van deze séance.
De volgende ochtend vroeg Piet, de overbuurjongen van de man bij wie de séance gehouden was, hoe de bijeenkomst verlopen was. Zijn buurman vertelde hem trots van de Engelse dichter, die een avondzang van een vogeltje had doorgegeven. Tot grote verbazing van Piet, bleek het aangetikte gedicht de verminkte reproduktie te zijn van een vers, getiteld Evening Song, wat hij op het uur van de séance gelezen had. Hij had namelijk op zijn kamer wat oude schoolboeken bekeken en was dit gedicht tegengekomen. Hij had er ongeveer een half uur een beetje boven zitten suffen, terwijl aan de overkant de séance in volle gang was.
(Uit: W.H.C. Tenhaeff, Het spiritisme, blz. 136-137)
2.3.3 Glaasje draaien
Tegenwoordig wordt in plaats van de planchette of het ouija-bord vaak een houten kruis met een pin in het midden (‘kruis-en-bord’) of een omgekeerd glas gebruikt. In het laatste geval spreekt men van ‘het spel met het glas’ of ‘glaasje draaien’, dat sinds enige tijd vooral onder jongeren grote populariteit geniet. Velen hebben zin in sensatie en zoeken contact met de doden. Maar het idee dat ze op deze manier inderdaad contact met overledenen hebben blijkt vaak een beangstigende gedachte. Wat als baldadigheid begon kan onheilspellende vormen aannemen. Want, wat moet je met nare boodschappen en ‘kwade geesten’? Stel, dat de ‘geest’ zegt dat je nog maar één jaar te leven hebt, of dat ‘hij’ je altijd zal blijven volgen. Wanneer men er (onbewust) van overtuigd is inderdaad met geesten te maken te hebben (geesten die meer zouden weten dan ‘aardse stervelingen’), is het begrijpelijk dat men bij negatieve en dreigende boodschappen in de problemen kan raken. Het volgende voorbeeld van een 15-jarig meisje dat op het Parapsychologisch Instituut kwam, omdat het haar allemaal teveel werd, is geenszins uniek. Hieronder volgt de brief die ze aan ons schreef:
Ik wou dat ik het nooit gedaan had
“Hallo, ik wil u schrijven over geesten oproepen. Uit school zijn we een keer met z'n zessen naar Annet thuis gegaan. Op de achterkant van een spiegel hadden we het alfabet gelegd en de cijfers 0 t/m 10, een glas in het midden en daarop onze wijsvinger. Wij ons concentreren en toen zei Annet: “Geest, bent u daar?” en “Geest, kom in ons midden” en na ongeveer 2 minuten kregen we een meisje. Ik weet niet meer hoe ze heette of hoe oud ze was, maar ze was wel heel verlegen. Dat wist je doordat ze heel langzaam schoof. Na 2 minuten was ze zomaar weg. We begonnen opnieuw en toen kregen we een jongetje van 1 jaar, Bas. Heel lief, maar toch ook wel raar. We stelden vragen over van alles en nog wat, zoals ‘met wie trouw ik later?’ en ‘hoeveel kinderen krijg ik?’
Ik vroeg dat dus ook en kreeg nare antwoorden. Ik ga niet trouwen en ik kan geen kinderen krijgen en ik krijg kanker! Nou, daar heb ik veel verdriet van gehad, omdat ik dacht dat alles uit zou komen.
We hebben het natuurlijk nog vaker gedaan, want ik wilde wel meer weten. We kregen een keer een vrouw, Tamara, nou dat was een kwaaie geest. Ze zei dat we hoeren waren en meer van dat soort rare dingen. Ik vond het heel eng.
Later hebben we weer Bas gekregen. Hij zei toen, dat als ik me er teveel in zou verdiepen ik binnen een jaar in een psychiatrische inrichting terecht zou komen, want ik was er veel te zwak voor. Als het over een jaar nog niet over is, ga ik eraan. Doodeng, en ik ben nou bang. Hij zei ook nog dat mijn opa over 4 maanden overlijdt aan kanker en m'n ouders krijgen ook een ongeluk.
De volgende dag, toen we het weer probeerden, zei Bas, dat ik niet meer geesten mag oproepen, want dan ga ik eraan dood. Ik kan er echt niet tegen, ik wou dat ik het nooit had gedaan!
p.s. Ik ben bang!”
Parapsychologen gaan ervan uit dat er bij glaasje draaien en andere spiritistische verschijnselen in het merendeel van de gevallen geen geesten in het spel zijn. Het gaat meestal om onbewuste wensen, gedachten en angsten van de deelnemers, die via onbewuste spierbewegingen naar buiten komen. Zo bezien, komen de boodschappen dus voort uit de psyche van de deelnemers aan de séance en dat is de reden, dat ze soms zulke nare vormen kunnen aannemen als bij het meisje van de brief. Als de eerste ‘boodschap’ eng is, wordt men bang en dan zal de volgende ‘boodschap’ nog enger zijn. In deze zin is glaasje draaien dus gevaarlijk: allerlei angsten kunnen op de voorgrond treden. Soms zijn dat angsten die men zich nooit bewust is geweest. Dat alles kan enorm bedreigend zijn. Een waarschuwing is hier dus op zijn plaats. Denk er niet te gemakkelijk over. Denk niet dat jij iemand bent die het wèl kan hanteren.
Rosemary Brown
Een aparte plaats tussen de beroemde ‘channels’ neemt Rosemary Brown in. Zij legt, naar eigen zeggen, in trance contact met overleden componisten. Die geven aan haar hun post mortem gecomponeerde muziekstukken door. In een tijdsbestek van zes jaar zijn er op die manier meer dan vierhonderd werken van ‘gene zijde’ tot ons gekomen. Na hun dood zouden componisten als Bach, Beethoven, Debussy, Liszt, Schopin, Berlioz en anderen hun composities via mevrouw Brown aan ons doorgeven.
Professor Tenhaeff heeft mevrouw Brown dieptepsychologisch onderzocht en hem is niets gebleken van een gespleten persoonlijkheid. Deskundigen die de door Brown opgetekende composities kunnen beoordelen, zijn van mening dat de muziekstukken authentiek klinken. Dit houdt in dat musicologen een bepaalde stijl herkennen als de stijl van de overleden componist die ‘doorkomt’. De door Brown genoteerde muziek zou inderdaad klinken als muziek van Bach, Debussy, enzovoort. Dit is opmerkelijk omdat Brown weinig van muziek afweet, niet van blad kan spelen, en al helemaal niet in staat bleek om een eenvoudig wijsje dat werd voorgespeeld op blad te zetten. Als zij daarentegen in trance is, dan is zij buitengewoon zelfverzekerd bezig.
2.3.4 Poltergeist
Volgens de spiritisten kan een geest zich niet alleen kenbaar maken door met een medium in contact te treden (direct of indirect), maar ook door zich als poltergeist te manifesteren. Men spreekt dan van poltergeistverschijnselen. Het woord ‘poltergeist’ betekent letterlijk ‘lawaai makende geest’. Bij glaasje draaien komt het bijvoorbeeld wel voor, dat het glas plotseling knapt, de lampen gaan flikkeren, of de gordijnen gaan bewegen. Spiritisten zullen zeggen dat het werkelijk geesten zijn die de gebeurtenissen veroorzaken.
Parapsychologen gaan er echter van uit dat, als normale verklaringen zijn uitgesloten, er sprake is van psychokinetische fenomenen die veroorzaakt worden door levende mensen (zie voor pk-verschijnselen deel 4 van deze reeks.) In het geval van spontane, angstaanjagende gebeurtenissen, die ongewild optreden tijdens een séance, gaat het vaak om spanningen bij (een van) de deelnemers die zich op psychokinetische wijze ontladen.
Tijdens een ‘professionele’ séance gebeuren soms nog andere dingen: een enkele keer zijn de aanzittenden in staat met hun handen plat op het tafelblad tafelheffingen (tafeldans) teweeg te brengen. De tafel begint te tikken op de grond, waarbij één tik bijvoorbeeld ‘ja’ en twee tikken ‘nee’ betekenen. Door te tikken geeft ‘de geest’ dan antwoord op de vragen die door een van de aanwezigen gesteld worden. We hebben al gezien dat de gezusters Fox op deze wijze met geesten communiceerden.
Iets minder spectaculair zijn de séances waarbij de tafel niet beweegt (danst), maar klopgeluiden geeft als antwoord op vragen. Eén klop is bijvoorbeeld ja, twee kloppen nee. Wanneer men antwoord op een vraag wil, kan men met de hand langzaam de letters van het alfabet aanwijzen en wachten tot de tafel bij een bepaalde letter een klopgeluid geeft. Op die wijze kan men woorden en tenslotte hele zinnen doorkrijgen.
Antwoord via de tafel
De parapsycholoog Podmore meldt het volgende geval: De Engelse hoogleraar De Morgan had het Amerikaanse medium, mevrouw Hayden, bij hem thuis uitgenodigd. Bij haar séances heeft de consultant een kaart met het alfabet in zijn hand, zodanig dat mevrouw Hayden de letters niet kan zien. Nadat hij een vraag heeft gesteld, laat hij zijn vinger langs de letters gaan en wacht tot er een bevestigende klop uit de tafel komt. Op die manier worden er letters aan elkaar geregen.
“We hielden een séance van meer dan twee uur. Mevrouw Hayden was er nog maar net toen we al een paar zachte tikken in de tafel hoorden. Toen we begonnen kwam de naam van een zus van mijn vrouw door, doordat de tafel bevestigende kloppen gaf bij de desbetreffende letters van het alfabet. Na wat heen en weer ‘gepraat’, vroeg ik of ik een vraag mocht stellen. Een bevestigende klop. ‘Mag ik hem ook in gedachten stellen?’ ‘Ja.’(Klop) ‘Kan mevrouw Hayden allebei haar handen omhoog houden als ik de vraag stel?’ ‘Ja.’(Klop) Mevrouw Hayden hield haar handen in de lucht en ik stelde in gedachten een vraag en stelde voor om het antwoord in één woord weer te geven; een woord waar ik aan dacht. Toen ging ik de letters van het alfabet af en de tafel gaf bevestigende kloppen bij de letters die samen het woord vormden dat ik in gedachten had gehad: SCHAAK. De vraag was namelijk of zij (de zuster van mijn vrouw) zich een brief kon herinneren die ze me ooit geschreven had en of ze nog wist waar hij over ging.”
(Uit: F. Podmore, Mediums of the 19th century, vol. 1, blz. 6-7)
Het verschijnsel van de tafeldans wordt door parapsychologen soms verklaard door aan te nemen dat er sprake is van onbewuste spierbewegingen van de aanzittenden. Het gaat dan niet om een geest en ook niet om psychokinese. Soms ook is het aannemelijk dat onbewuste spierbewegingen of andere normale verklaringen niet opgaan. In dat geval is het mogelijk psychokinese. Daarvan is het onderstaande geval een voorbeeld.
Het gebroken lampekapje
De heer Siricha, een oude maar gezonde patiënt van de jonge dokter Caltagizone, geloofde niet in een voortbestaan na de dood. Toch sprak hij met de dokter af dat hij een bewijs van zijn voortbestaan zou geven in het geval hij, zoals te verwachten was, eerder zou overlijden. Bij die afspraak stonden de beide heren in de eetkamer en de dokter zei dat Siricha in dat geval iets in die kamer zou moeten breken, bijvoorbeeld iets van de glaskroon.
De dokter had Siricha daarna maandenlang niet meer gezien en toen hij op zekere avond met zijn zuster in de eetkamer zat, werd hun aandacht getrokken door luide slagen in de lamp. Eerst dachten ze dat dit met uitzetting door warmte te maken had, maar toen ontdekten ze een ritme in de slagen. De dokter ging op een stoel staan en bekeek de lamp van zeer dichtbij, maar kon niets ontdekken. Dit gebeurde vijf dagen achtereen. Op de laatste avond barstte een porseleinen kapje van de lamp. Het bleef door een ijzeren ring op zijn plaats. De volgende ochtend klonk er een enorme knal. Toen broer en zus zich naar de eetkamer begaven, lag één helft van dit kapje op de tafel, terwijl de andere helft nog op zijn plaats was.
De knal was totaal niet in overeenstemming met het geluid dat een vallend kapje had moeten maken. De lamp brandde niet, dus dit kon niets met warmte-invloeden te maken hebben. Gezien de constructie van de lamp was het onmogelijk dat het kapje recht naar beneden kon zijn gevallen, terwijl het er wel precies onder lag.
Bij al deze gebeurtenissen moest de arts niet direct aan de heer Siricha denken. Enige dagen later ontmoette hij een bekende, die hem zei dat Siricha overleden was in de nacht van 27 op 28 november. Dit was de tijd dat zich de merkwaardige verschijnselen hadden voorgedaan. De dokter meende dat het wel zeer waarschijnlijk was dat Siricha zijn woord had gehouden.
(Uit: W.H.C. Tenhaeff, Het Spiritisme, blz 236-238)
Het blijft natuurlijk onduidelijk hoe deze gebeurtenis tot stand kwam. Het is denkbaar (maar onaantoonbaar) dat de heer Siricha als overledene in actie kwam. Het is eveneens denkbaar dat Caltagizone onbewust telepathisch heeft opgevangen dat Siricha overleed, en vervolgens door middel van zijn eigen psychokinetische vermogens onbewust de verschijnselen veroorzaakte die Caltagizone deden denken dat de overledene zich toen manifesteerde.
3. Interpretatie van de verschijnselen
De belangrijkste vraag bij spiritistische verschijnselen is natuurlijk het probleem of we met zekerheid kunnen zeggen dat degenen die zich manifesteren werkelijk overledenen zijn. Daarom is er in het spiritisme veel nagedacht over de vraag wat de waarde is van de identiteitsbewijzen, die de geesten hebben kunnen leveren. En precies bij de behandeling van dit probleem scheiden zich de wegen van spiritisten en parapsychologen.
Spiritisten geloven dat de geestenmanifestaties tijdens séances de mens werkelijk in contact brengen met overledenen. Parapsychologen willen graag dingen zeker weten, en geloven niet zomaar in de spiritistische leerstellingen. Zij zijn op de eerste plaats wetenschappelijk onderzoekers. Dat betekent dat zij hun persoonlijke geloof over wel of geen leven na de dood niet laten meetellen in hun wetenschappelijke beschouwingen.
Maar wat kan de wetenschap nu doen met de verhalen die de spiritisten ons vertellen? Om te beginnen kunnen we zeggen dat het onderzoek niet die wetenschappelijk harde argumenten heeft opgeleverd die onomstotelijk aantonen dat de mens de dood werkelijk overleeft. Toch kunnen de gebeurtenissen die men bij een séance kan meemaken zeer bewijskrachtig lijken. Men is zo onder de indruk van wat er dan gebeurt, dat men de buitengewone ervaring ziet als ‘bewijs’ van ‘het feit’, dat men werkelijk met een geest communiceerde. Maar, hoewel men onder de indruk kan zijn van hetgeen zich tijdens een séance afspeelt of van wat men bij spontane ‘geestverschijningen’ ziet, men moet zich toch afvragen of de spiritisten wel altijd de juiste visie op deze verschijnselen hebben.
3.1 Spelregel van de wetenschap
In de wetenschap kent men het zogeheten eenvoudigheidsbeginsel. Dit is een soort wetenschappelijke ‘spelregel’, die inhoudt dat men niet nodeloos ingewikkelde verklaringen, modellen of theorieën voorstelt als hetzelfde fenomeen ook met eenvoudige verklaringen, modellen of theorieën inzichtelijk kan worden gemaakt. Terzijde merken we op dat het altijd een punt van discussie is wat nu eenvoudig is en wat ingewikkeld. Als leidraad kan men aanhouden dat een verklaring die aansluit bij wat in de wetenschap reeds ‘begrepen’ is, ‘eenvoudig’ kan worden genoemd.
Wie in een spel de regels overtreedt, mag niet meer mee doen. Het is dan wel mogelijk andere regels op te stellen, maar dan speelt men ook een ander spel. Iets dergelijks is er gebeurd in de relatie tussen spiritisten en parapsychologen. Het spreekt voor zich dat de vraag hoe een willekeurig verschijnsel verklaard kan worden meer controversen oproept als het gaat om zulke raadselachtige verschijnselen als die we in de parapsychologie tegenkomen. Een verschijnsel als telepathie bijvoorbeeld is op zichzelf al zo vreemd dat het niet bij welke categorie van bekende verschijnselen dan ook kan worden ondergebracht.
Voor een wetenschapper die wel paranormale verschijnselen accepteert is het echter onaanvaardbaar als men van telepathie zegt, dat het gaat om boodschappen die ‘door geesten van overledenen worden ingefluisterd’. Voor zover zij niet in termen van de normale psychologie gezien kunnen worden, zijn alle verschijnselen die men in het spiritisme tegenkomt, hoogstens paranormale verschijnselen tussen levenden.
De gedachte dat deze verschijnselen veroorzaakt worden door ‘geesten’ is een veronderstelling, een hypothese. Deze veronderstelling zou best waar kunnen zijn, maar zolang wij dat niet zeker weten, kunnen ook andere veronderstellingen, andere hypothesen naar voren gebracht worden. En niet alleen dat, wanneer er andere hypothesen geopperd worden die dichter bij de in de wetenschap reeds gehanteerde modellen en theorieën staan, dan zullen deze de voorkeur genieten. Want dat is de regel die ons door het eenvoudigheidbeginsel wordt voorgeschreven. Zo wordt het spel van de wetenschap nu eenmaal gespeeld. Als spiritisten dan ‘tegen beter (wetenschappelijk) weten in’ toch bij hun leerstellingen blijven, dan spelen zij een ander spel dan het spel dat wij wetenschap noemen. Het is belangrijk vast te stellen dat het hier niet gaat om de vraag wie gelijk heeft. Het gaat alleen om de wetenschappelijke werkwijze. De identiteit van de geestverschijning is niet vast te stellen, want alles wat men aanziet voor een manifestatie van een geest, kan ook verklaard worden door aan te nemen dat het ‘slechts’ om paranormale fenomenen gaat die zich voordoen bij levende mensen.
De volgende vraag is dan: wat gebeurt er met het medium, dat toch werkelijk meent met ‘overledenen’ te doen te hebben. Door parapsychologen wordt gesteld dat zo'n medium een gespleten persoonlijkheid heeft. Tijdens de trance-toestand maakt het normale waakbewustzijn van het medium plaats voor een andere kant van de psyche, die dan als het ware de leiding ‘overneemt’.
Twee geesten
Het bekende medium mevrouw Willett omschreef bij een bepaald voorval de persoonlijkheidssplitsing als volgt. Zij had een brief uit een grote envelop gehaald en wilde ook de andere bescheiden bekijken, maar “plotseling, als bij donderslag, kreeg ik de overtuiging het niet te doen. Toen gebeurde er iets vreemds. Ik wist niet wat ik moest doen en mijn geest scheen niet te werken, of eigenlijk leek het of er twee geesten waren die niet samenwerkten. Geest nummer één liet mijn lichaam opstaan en de kamer uitlopen, maar geest nummer twee (die het ‘ik’ was zoals ik het kende) begreep niet waarom dit gebeurde en waarom ik buiten mijn kamer was. Ik stond daar een paar seconden. Toen keek ik naar mijn handen en ik zag dat ik de brief in de ene hand had en de envelop in de andere. Geest nummer één greep mijn hand, deed de brief terug in de envelop, liet mij een trap afgaan en een andere trap oplopen. Geest nummer twee keek toe en vroeg zich af wat dit te betekenen had. Toen ik bij de kamer van mijn man was, flitsten beide geesten in elkaar en ik wist ineens wat ik doen moest. Ik ging naar binnen, gaf de envelop aan mijn man en liet hem opschrijven, met de datum en de tijd erbij, dat ik de brief had gelezen, maar niet wat er verder in de envelop zat.”
Achteraf bleek, dat het met het oog op bewijsmateriaal voor haar werk, beter was dat mevrouw Willett de bijlagen van de brief niet las.
(Uit: G.N.M. Tyrrell, Ontdekkingen van de parapsychologie, blz. 118-119)
Iets wat tijdens een séance gebeurt, kan dus ook anders geïnterpreteerd worden en hoeft niet per se gezien te worden als een bewijs van manifestaties van overledenen. Het zal duidelijk zijn dat vele spiritisten zich moeilijk in deze stellingname van de wetenschappers kunnen vinden. Wetenschappers stellen zich echter op het standpunt dat zij geen belang hebben bij een speciale visie, maar slechts op zoek zijn naar de beste theorie voor de wetenschap.
Animisme en spiritisme
Men kan nu twee soorten theorieën onderscheiden. Ten eerste de theorie, die vertrekt van het uitgangspunt dat spontane geestverschijningen en verschijningen tijdens séances in beginsel terug te voeren zijn op hier en nu levende mensen. Dat wordt de animistische verklaring genoemd. Animus betekent ziel, en men bedoelt hiermee de ziel van de levende mens. Hier wordt de spiritistische hypothese geheel genegeerd. Alles wat er bij séances voorvalt, is te reduceren tot normale en hoogstens paranormale gebeurtenissen die van levende mensen uitgaan.
Aan de andere kant staat de spiritistische theorie, die zegt dat het geesten van overledenen zijn die de verschijnselen die wij paranormaal noemen veroorzaken. Via een medium (letterlijk: midden, hulpmiddel) komen berichten van overledenen tot ons. Het zijn dus de geesten zelf die voor contact openstaan. Bij deze verklaring gaat men er dus van uit dat er leven na de dood is.
Een intrigerende vraag is nu natuurlijk: welke van beide theorieën is de juiste? Het enige antwoord dat op deze vraag gegeven kan worden, is dat het bij de huidige stand van zaken in het onderzoek niet mogelijk is dit aan te geven. Vast staat wel dat niet alle verschijnselen die zich tijdens séances voordoen spiritistisch verklaard moeten worden.
3.1.1 De geest die niet overleden was
De Engelse parapsycholoog S.G. Soal kende een zekere Gordon Davis, over wie het gerucht ging dat hij in de oorlog gesneuveld was. Op een bepaalde datum kreeg hij door tussenkomst van het medium Blanche Cooper een bericht van deze overleden gewaande Davis. In dit bericht kwamen onder andere bijzonderheden voor over de inrichting van een huis. Deze waren zeer gedetailleeerd en droegen allerminst een algemeen karakter.
Drie jaar later kwam Soal tot de ontdekking, dat Gordon Davis nog in leven was en dat men ten onrechte van hem verteld had dat hij gesneuveld was.
Hij besloot Davis een bezoek te brengen. Toen bleek hem dat Davis een huis bewoonde, dat volkomen beantwoordde aan de beschrijving, die de ‘geest’ drie jaar eerder via Blanche Cooper had gegeven. Het stond in de Eastern Esplanade. Ook dit is merkwaardig, omdat de ‘geest van Davis’ tijdens de séance gezegd had dat de straatnaam twee hoofdletters E bevatte.
Op het tijdstip waarop ‘hij’ zich als ‘overledene’ via het medium Cooper gemanifesteerd zou hebben, had Davis in werkelijkheid een zakelijke bespreking gehad die zijn volle aandacht had gevraagd.
Het huis, door de ‘geest’ beschreven, had Davis pas een jaar na de séance betrokken. De schilderijen, die ‘hij’ toen had beschreven, had Davis pas twee jaar daarna in zijn bezit gekregen.
(Uit: W.H.C. Tenhaeff, Het spiritisme, blz. 230-231)
Dit geval kan niet spiritistisch uitgelegd worden, omdat de persoon waar het om gaat niet overleden is. Het maakt duidelijk dat het belangrijk is alle claims van spiritisten kritisch te onderzoeken. Wanneer dat in dit voorbeeld niet gedaan was, had de spiritist ten onrechte gedacht dat hij met een ‘geest’ te maken had.
Er zijn echter ook séances gehouden waarbij men zeker weet dat degenen die tijdens de séance ‘doorkomen’, werkelijk overleden zijn, terwijl bovendien het verschijnsel zelf zo merkwaardig in elkaar zit dat de wetenschappelijk aantrekkelijke animistische verklaring enigszins gekunsteld aandoet. Het gaat dan met name om de zogeheten kruiscorrespondenties, die vooral aan het begin van deze eeuw voorkwamen en toen ook goed onderzocht werden.
3.1.2 De geest die mogelijk overleden was
Men spreekt van kruiscorrespondenties wanneer een met behulp van spiritistische technieken verkregen tekst van het ene medium ‘correspondeert’ (overeenkomt) met wat een ander medium onafhankelijk aan tekst ontving, terwijl er voor die overeenkomst geen normale verklaring kan worden gevonden.
Bij deze kruiscorrespondenties waren zelfs vaak meerdere mediums betrokken. Bovendien bevonden die mediums zich soms op meerdere continenten (VS, India, Engeland). Allen ontvingen gedurende een aantal jaren boodschappen van overleden parapsychologen. Deze berichten waren op zichzelf onbegrijpelijk en onsamenhangend, en bestonden op het eerste gezicht slechts uit zinloze brokstukken. Onderzoekers van de Britse S.P.R. ontdekten echter dat de teksten van de verschillende mediums met elkaar overeenstemden en elkaar zelfs aanvulden. In elke tekst bevond zich een stukje van hetzelfde patroon en gezamenlijk vormden zij een samenhangend geheel.
Verschillende mediums kregen dus één en dezelfde boodschap door, maar doordat deze in verschillende stukken verdeeld werd en geen van de mediums wist waar het om ging, lijkt de bewijskracht sterker te worden.
Nu kan men natuurlijk, om toch de animistische hypothese te handhaven, ook denken aan een ingewikkeld patroon van telepathische wisselwerkingen, maar in dit geval doet dat wat gekunsteld aan.
Voorbeeld van een kruiscorrespondentie: Thanatos
Op 17 april 1907 gaf het medium mevrouw Piper in Engeland een séance, waarin zij de woorden ‘sanatos’ en ‘tanatos’ spelde. Op 23 april het woord ‘thanatos’ (Grieks voor dood) en op 30 april herhaalde zij het woord drie keer.
In India schreef mevrouw Holland op 16 april automatisch op: “maurice, morris, mors”, gevolgd door “en daarmee viel de schaduw des doods op hem en de ziel verliet zijn leden.”
Op 29 april produceerde mevrouw Verrall in Engeland het volgende in automatisch schrift: “Verwarm beide handen voor het levensvuur; het dooft en ik ben klaar om te vertrekken” en daarna “Ga heen, ga heen” en een vergelijkbare tekst in het Latijn.
De drie vrouwen wisten niet van elkaar wat ze geschreven hadden. Mevrouw Piper, die weinig ontwikkeld was, spelde het woord ‘dood’ in het Grieks, de beter ontwikkelde mevrouw Holland (die echter geen oude talen kende) schreef het in het Latijn neer en de klassiek geschoolde mevrouw Verrall gaf een tekst in het Latijn. De geschriften waren allemaal ondertekend door Myers, één van de oprichters van de S.P.R.
Myers, (overleden in 1901) was tijdens zijn leven een bekend classicus. De inhoud van deze kruiscorrespondenties (waar dit voorbeeld maar een deel van is) gaf bovendien nog allerlei bijzonderheden die karakteristiek voor Myers waren.
De meningen over de kruiscorrespondenties zijn verdeeld. Vele onderzoekers menen dat ze animistisch verklaard moeten worden, maar er zijn ook parapsychologen die hier voorzichtig toch aan de spiritistische hypothese denken. Let wel, het gaat hier alleen om een voorkeur voor een bepaalde hypothese.
Het lijkt erop, dat ‘geesten van overleden parapsychologen’ (onder andere Myers, Podmore en Gurney) de kruiscorrespondenties bedacht hebben als een bewijs van een voortbestaan na de dood.
3.1.3 Boek- en krantentests
Er zijn nog andere situaties waarbij, in de ogen van spiritisten, het initiatief tot contact van de ‘overledenen’ lijkt uit te gaan. Dit zijn de zogeheten ‘boektests’ en de ‘krantentests’. Er komt in een séance bij voorbeeld een bericht door, waarbij men de opdracht krijgt een bepaald boek in te kijken. De plaats waar dit boek zich bevindt (het huis, de kamer en een specifieke plank in een kast), wordt daarbij precies aangegeven. Daarna wordt het paginanummer genoemd en vervolgens de regel. De tekst, die daar dan staat, zou van toepassing zijn op de ‘overledene’ die zich tijdens de séance meldde. Het eerder genoemde voorbeeld van het zwarte aantekenboekje is in feite een boektest.
Hetzelfde is mogelijk met een krant. Ook dan wordt er een naam van een krant doorgegeven, een pagina, een kolom, en tenslotte een bericht. De tekst die op die plaats te vinden is, heeft dan weer betrekking op degene die zich heette te manifesteren. Merkwaardig hierbij is dat er zich gevallen hebben voorgedaan, waarbij het ging om de krant van de volgende dag.
Voorbeeld van een krantentest: de naam van de dominee
Veel krantentests hebben zich voorgedaan bij het medium mevrouw Leonard. De proeven hadden in hoofdzaak betrekking op het dagblad The Times. Dominee C. Drayton Thomas overkwam het volgende.
Feda, de controle van mevrouw Leonard deelt mee: “In de Times van morgen zult u in de tweede kolom van het eerste blad, ongeveer in het midden de naam van uw vader vinden, alsmede uw eigen naam. Eerst komt uw eigen naam.” De volgende dag bleek op de opgegeven plaats een huwelijksadvertentie voor te komen met de namen Charles John Workman. De dominee zelf heet Charles en zijn vader droeg de naam John. In de vorige dagen waren deze namen niet in de desbetreffende kolom voorgekomen.
Bij dezelfde séance werd gezegd: “In de eerste kolom staat op ongeveer dezelfde hoogte een adres dat uw vader goed gekend heeft.” In die kolom bleek de naam Ventnor I.W. te lezen, en inderdaad kende zijn vader de plaats Ventnor op het eiland (Island) Wight goed vanwege een aantal zakenreizen daarnaartoe.
Feda zei ook nog: “In de buurt van de namen en het adres staat een woord als ‘Loos’. Het is de naam van een stad of misschien van een persoon.” In een advertentie, onmiddellijk onder de namen Charles John Workman, stond inderdaad tweemaal de naam van het Engelse dorp Loose.
(Uit: W.H.C. Tenhaeff, Het Spiritisme, blz. 198-199)
Ondanks al deze aanwijzingen is het niet uit te maken, of we hier nu werkelijk met geesten van overledenen te maken hebben. Het eenvoudigheidsbeginsel vraagt van de wetenschapper dat hij verklaringen zoekt waarbij die gedachte zo lang mogelijk achterwege gelaten wordt. Zoals gezegd, het is uiteindelijk heel moeilijk om vast te stellen tot welk punt men dit vol wil houden. Voor de ene wetenschapper is dat punt eerder bereikt dan voor de ander.
We kunnen zeggen dat in grote lijnen de parapsychologen in de vorige eeuw en de onderzoekers in het begin van deze eeuw dichter bij de spiritistische hypothese stonden dan nu het geval is. Dat betekent zeker niet dat de onderzoekers van het eerste uur overtuigde spiritisten waren. Het waren goede wetenschappers die in sommige gevallen, zoals bijvoorbeeld bij de kruiscorrespondenties, de spiritistische hypothese overwogen. Zeker weten—daarover zijn alle onderzoekers het eens—kan men op dit punt niets.
Tegenwoordig zijn er nog maar weinig onderzoekers die zich nog met het spiritisme bezighouden. Er worden nu veel meer procesgerichte experimenten gedaan, waarbij men alleen nagaat of en hoe het paranormale zich voordoet. Men houdt zich nauwelijks nog bezig met het zoeken naar een antwoord op de vraag of er leven na de dood is. Met de mond wordt dit door veel onderzoekers betreurd. Het blijkt jammer genoeg niet altijd uit hun daden.
3.2 Andere argumenten in de discussie
Reïncarnatie
Behalve het spiritisme zijn er nog andere onderwerpen in de parapsychologie die men in verband heeft gebracht met het vraagstuk van het leven na de dood. In de eerste plaats is dit het reïncarnatie-onderzoek, waar men zich bezighoudt met herinneringen aan vorige levens. Als er wedergeboorte bestaat, dan zou dit kunnen betekenen dat er ook een bestaansvorm ná de dood is. Aan reïncarnatie besteden we een apart deel van deze reeks (zie deel ...)
Maar hier kunnen we al zeggen, dat ook de uitkomst van het reïncarnatie-onderzoek niet ondubbelzinnig is. Als men zich houdt aan de spelregel van het eenvoudigheidsbeginsel, treft men hier hetzelfde probleem aan als bij het onderzoek naar spiritistische verschijnselen. Welke hypothese sluit het beste aan bij reeds bekende verschijnselen?
Het is in ieder geval duidelijk, dat men veel gevallen van herinneringen aan vorige levens kan zien als een combinatie van psychologische en parapsychologische verschijnselen. Aangezien dat een eenvoudiger verklaring is dan aan te nemen, dat ‘vorige levens’ de oorzaak zouden zijn van kennis die niet via de normale zintuiglijke kanalen tot ons kan zijn gekomen, kiest men ook hier voor een animistische verklaring. Maar dat wil niet zeggen, dat er geen vorige levens bestaan. Het wil alleen zeggen, dat dit volgens het eenvoudigheidsbeginsel minder goed aansluit bij de reeds aanvaarde wetenschappelijke kennis.
Uittredingen en sterfbedvisioenen
Behalve het reïncarnatie-onderzoek, hebben uittredingen en sterfbedvisioenen ook te maken met het ‘leven na de dood’. Ook dit zijn onderwerpen die in een apart deel van deze reeks behandeld worden (zie deel ...).
De uittreding is de, relatief veel voorkomende, ervaring waarbij iemand de sensatie heeft zich buiten zijn lichaam te bevinden. Wie dit voor het eerst meemaakt, heeft vaak het idee overleden te zijn. Men ziet het eigen lichaam bijvoorbeeld op bed liggen, vanaf een ander punt in de ruimte. Deze ervaring wordt soms ook gemeld door mensen, die klinisch dood zijn geweest. In veel gevallen hebben zij overleden dierbaren al zien staan wenken. Men spreek hier van bijna-dood-ervaringen. Uittredingen en bijna-dood-ervaringen zijn voor de parapsycholoog interessant, omdat er in die ervaringen soms sprake is van buitenzintuiglijke waarneming. Hiermee bedoelen we dat iemand tijdens een uittredingservaring bijvoorbeeld dingen kan zien of horen op plaatsen waar zijn (fysieke) lichaam niet is. Ook al weten wij niet hoe wij uittredingen moeten interpreteren, we kunnen wel controleerbare mededelingen van uittreders natrekken. Dat is herhaaldelijk met succes gebeurd.
Daarnaast kan men deze ervaringen zien als argumenten in de discussie over de vraag of er leven na de dood is. Men vraagt zich af of de dood misschien een permanente uittreding is. Deze gedachte wordt ondersteund door de sterfbedvisioenen. We moeten echter duidelijk vaststellen dat al deze ervaringen, samen met de spontane en op spiritistische séances veroorzaakte ‘geestenmanifestaties’ slechts argumenten zijn in de discussie over leven na de dood. De discussie zelf is niet afgesloten en het ziet er voorlopig niet naar uit dat er van de kant van de wetenschap, noch van de kant van het spiritisme, een definitief antwoord op gegeven zal kunnen worden.
4. Meerdere visies
Een belangrijk aspect van de parapsychologie is dat men de verschijnselen op meerdere manieren kan bekijken. Dit is al aan de orde geweest toen spiritisme en animisme tegenover elkaar werden geplaatst. Maar nu we iets meer weten van de verschijnselen die dikwijls spiritistisch geïnterpreteerd worden, kunnen we een aantal verschillende visies naast elkaar zetten. Dit geeft een inzicht in het moeilijke probleem van de interpretatie van paranormale verschijnselen en het geeft aan wat de mogelijkheden van de diverse interpretaties zijn. We zullen dit doen aan de hand van het volgende voorbeeld.
Opa
“Als kind was ik op een nacht vast in slaap, toen ik ergens wakker van werd. Ik zag het maanlicht door het raam schijnen en een pad vormen, dat breed uitliep bij het voeteneind van mijn bed. Terwijl ik naar het licht keek, materialiseerde zich een figuur. Ik herkende onmiddellijk mijn grootvader. Hij strekte zijn hand naar mij uit en zei, ‘Zeg August (mijn vader) vaarwel.’ Daarna verdween hij. Ik was verschrikkelijk bang en mijn ouders werden wakker van mijn gegil. Mijn vader kwam mijn kamer binnen en ik vertelde hem wat er gebeurd was. ‘Opa is dood,’ zei ik huilend. ‘Onzin schatje,’ zei hij, ‘je hebt alleen een nare droom gehad. Opa is zelfs niet ziek.’ Mijn vader bleef aan mijn bed zitten, totdat ik in slaap viel. De volgende ochtend om 11 uur werd vader gebeld uit de plaats waar opa woonde. Hij was overleden op exact hetzelfde moment, dat hij aan mij verscheen. Mijn ouders keken me daarna wat raar aan en fronsten hun wenkbrauwen als ik over mijn ervaring begon. Hoe dan ook, opa's bezoek die nacht heeft iedere angst voor het onbekende bij mij weggenomen.”
(Uit: D.J. Bosga, Een broertje dood aan spiritisme, blz. 36)
4.1 Bedrogshypothese
Volgens deze hypothese is het verhaal van dit kind gelogen. Om de een of andere reden wil dit kind interessant doen en doet net alsof het een verschijning van opa heeft gehad. Degenen die deze hypothese hanteren, moeten dan wel een verklaring zien te vinden voor het feit dat de ‘voorgewende’ beleving zo precies klopt met de feiten. In dit geval zal men bij voorbeeld stellen dat er direct na het overlijden is opgebeld, dat het kind de telefoon heeft aangenomen en daarna de ‘ervaring’ heeft verzonnen. Daarbij heeft het geluk gehad dat de vader, toen hij de volgende ochtend gebeld werd, niet heeft vernomen dat er al eerder (waarschijnlijk door iemand anders) gebeld was.
Het is inderdaad mogelijk dat dit zo gebeurd is en zuiver wetenschappelijk gezien is dit zelfs een goede hypothese, omdat zij het geval ‘verklaart’ zonder een beroep te hoeven doen op ‘onmogelijke’ verschijnselen en principes.
4.2 Toevalshypothese
Volgens deze hypothese is er geen bedrog gepleegd en is er ook niets paranormaals gebeurd. Het zien van de verschijning is waarschijnlijk een droom geweest, ook al beweerde de ‘droomster’ dat zij wakker was. Het feit dat de droom overeenkomt met de feiten, is volkomen toevallig. We moeten daar niets achter zoeken. Ook dat is een ‘verklaring’ die wetenschappelijk gezien sterk staat op grond van hetzelfde argument ; er wordt een beroep gedaan op verschijnselen en principes die in de wetenschap niet worden gebruikt.
4.3 Psychologische hypothese
Deze hypothese veronderstelt al subtiele psychische prestaties. Deze hoeven echter lang niet altijd paranormaal te zijn. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de droomster haar opa kort tevoren nog heeft ontmoet en dat zij, zonder zich ervan bewust te zijn, heeft gezien dat er iets mis was met hem. Misschien is haar wel even door het hoofd geflitst, dat hij niet lang meer te leven had. Deze onbewuste kennis bleef rondspoken in haar hoofd en tijdens de slaap stelde ze hieruit de droom samen. In deze optiek gaat het dan niet om een voorspellende of telepathsiche ervaring, maar om reeds aanwezige kennis waaruit op creatieve wijze een droom ontstaan is.
4.4 Parapsychologische hypothese
Het kleinkind heeft telepathisch opgevangen dat haar opa overleed. Deze informatie werd door haar geest gedramatiseerd tot de geestverschijning, die zij aan haar bed zag staan. Deze hypothese voert het paranormale als verklaring aan. Zij treedt hierdoor buiten de grenzen van de gevestigde wetenschap. Dat is de reden, dat velen deze verklaring niet zo snel zullen accepteren.
4.5 Spiritistische hypothese
De grootvader is overleden, maar bestaat nog steeds. Hij heeft weliswaar geen lichaam meer, maar hij is niet verdwenen. Als geest gaat hij op bezoek bij zijn kleindochter en stelt haar op de hoogte van het gebeurde.
Deze verklaring is mogelijk, omdat niet bewezen kan worden dat zij absoluut niet van toepassing kan zijn. Tegelijkertijd echter is deze verklaring volgens het eenvoudigheidsbeginsel niet de meest voor de hand liggende. Er zijn téveel onbewezen vooronderstellingen: er zou een leven na de dood zijn én er zou communicatie met overledenen mogelijk zijn. Er zullen daarom nauwelijks of geen wetenschappers zijn die op basis van de gegevens van dit geval deze hypothese zullen ondersteunen.
Het is duidelijk dat men voorzichtig moet zijn met het interpreteren van allerlei verschijnselen, die we op het eerste gezicht al snel paranormaal of spiritistisch zouden noemen. Het is een eerste vereiste om alle elementen van een verschijnsel zo exact mogelijk na te trekken, pas dan kan men beginnen aan een poging tot interpretatie.
5. Channeling
De hoogtijdagen van het spiritisme lijken achter ons te liggen. Séances zoals die vanaf 1850 tot op heden zijn gehouden, spreken steeds minder mensen aan. Verenigingen voor spiritisme hebben heden ten dage nog maar relatief weinig leden. De belangstelling van wetenschappers voor spiritistische verschijnselen is bijna tot een nulpunt gedaald, nu de parapsychologie haar blik naar een andere richting heeft gekeerd. Er wordt meer nadruk gelegd op laboratorium onderzoek en men houdt zich minder bezig met filosofische vragen rond leven na de dood.
Parapsychologie en spiritisme zijn ieder hun eigen weg gegaan.
Maar ook al is het spiritisme in oude zin tanende, er is tegenwoordig een nieuwe spiritistische hausse: ‘channeling’. We gaan daarop in, onder meer met gebruikmaking van het overzichtswerk dat Jon Klimo over channelen schreef (zie lit. lijst). Regelmatig komt het voor dat ‘gewone’ mensen berichten ‘doorkrijgen’ die afkomstig zijn uit een ‘andere werkelijkheid’. Vroeger heette zo iemand ‘medium’, tegenwoordig spreekt men van een ‘channel’, een ‘kanaal’. Men is (communicatie)kanaal voor de entiteit die zich vanuit een ‘andere dimensie’ richt tot de aardse mens. Veel kanalen zijn ervan overtuigd dat de ‘bronnen’ hen hebben uitgekozen om spreekbuis te worden voor de boodschap die zij voor de mensheid hebben. Sommigen denken dat zij hun ‘gave’ te danken hebben aan verdiensten uit een vorig leven. De meeste kanalen lijden niet zo aan grootheidswaan en zijn van mening dat iedereen kan leren zich als kanaal open te stellen.
Dikwijls zijn er organisaties opgericht die zich tot doel stellen de boodschap van een kanaal te verspreiden. Dat gebeurt in de vorm van boeken en video-tapes, en ook via radio, tv en internet. De meeste kanalen geven ook privé-sessies, workshops en demonstraties. Ze nemen geld aan voor hun werk. In zijn boek over channeling schrijft Klimo dat een kanaal het geluk kan hebben dat hij of zij deel heeft aan een subcultuur die psychologisch en financieel dit werk ondersteunt. De mate waarin een kanaal dergelijke steun moet missen, bepaalt de mate van zijn of haar lijdensweg. Want als je met je boodschap de aandacht van het publiek op je vestigt, terwijl je geen steun hebt, kan je ten prooi vallen aan tegenstrijdige gevoelens, terwijl bovendien het publiek snel het oordeel klaar heeft. Het kanaal is een geval voor de psychiater.
5.1 De aard van gechannelde informatie
In het spiritisme is de informatie van gene zijde dikwijls toegesneden op een individu. Men wil bijvoorbeeld weten of het met een overleden grootvader goed gaat. Om die reden komt men bijeen tijdens een séance, waar een medium de gevraagde informatie probeert te achterhalen. Bij gechannelde informatie gaat het echter niet om dergelijke details. Dikwijls beweert de persoon die via een kanaal informatie doorgeeft hoger ontwikkeld te zijn. De aard van de informatie is meer omvattend en niet voor een enkel individu bestemd. De toon van de mededelingen is in de regel positief: we leven in een spiritueel universum, we moeten in positieve zin gebruik maken van onze creativiteit, we moeten de aarde zien als levend wezen, haar liefdevol gebruiken. Vanuit ‘hogere astrale niveau's’ zouden de bronnen van het ‘kanaal’ in staat zijn waar te nemen of te weten hoe de mensheid zich ontwikkelt. Vaak worden richtijnen gegeven over hoe dit proces begeleid kan worden. De mensheid op aarde zou zich in een belangrijke overgangsfase bevinden en veel hogere gidsen zouden zich in een andere werkelijkheid hebben verzameld om via kanalen berichten door te geven die dit proces begeleiden. Daarnaast beweren de bronnen slechts soms op de hoogte te zijn van details uit het persoonlijke leven van het kanaal. Zo kunnen op die persoon toegesneden adviezen gegeven worden. Dat gebeurt op alle gebieden van het leven: relaties, werk, gezondheid en financiën.
Voor wie zich in de gechannelde literatuur stort is het geen raadsel waarom die boeken in grote oplages verkocht worden. De ‘entiteiten’ die zich tot ons richten bespreken de belangrijkste filosofische onderwerpen die men zich kan bedenken: wat is de betekenis van ons bestaan op aarde, wat gebeurt er na de dood, zijn wij alleen in het universum of is er nog ander leven, zijn er meerdere niveaus van werkelijkheid? In een tijd dat de kerken leeglopen, is het niet verwonderlijk dat velen steun vinden bij de vaak tamelijk boude, niet-controleerbare uitspraken. En als er dan ook nog wordt gezegd dat iedereen een kanaal kan worden, lijkt niets de grote populariteit van gechannelde informatie meer in de weg te staan. Want als er een ding is wat centraal staat voor de hedendaagse ‘new age’ mens, is het wel dat hij liever afgaat op zichzelf dan op een autoriteit, zo belijdt hij met de mond. Opmerkelijk is echter wel dat, als het op daden aankomt, veel mensen die tegen de gevestigde orde ingaan op basis van gechannelde informatie, boeken met deze informatie raadplegen als ware het de bijbel. In kringen van volgelingen van Blavatsy, Steiner, Roberts, Cayce en vele anderen worden de ‘heilige boeken’ eerder geraadpleegd dan het eigen ‘bovenbewuste’.
5.2 Waar komt de gechannelde informatie vandaan?
In de beleving van degenen die gechannelde informatie doorkrijgen is het zo dat de entiteit die zich meldt leeft in een andere werkelijkheid, soms in een hogere werkelijkheid. De vraag dringt zich natuurlijk op of het mogelijk is om juistheid of onjuistheid van die subjectieve overtuiging op een meer objectieve wijze vast te stellen. Dat is niet mogelijk, net zo min als het in het spiritisme onmogelijk is om op ondubbelzinnige wijze zeker te weten of de ‘geest’ die zich meldt inderdaad overledenen is! Veel kanalen en propagandisten van gechannelde informatie menen dat die vraag ook niet zo relevant is. Het zou meer gaan om de kwaliteit van de gechannelde informatie dan om de de identiteit van de bron.
5.3 Stadia in het proces van ‘kanaal-worden’
De uit Los Angeles afkomstige psychologe Margo Candley is op het onderwerp ‘channeling’ gepromoveerd. Zij onderscheidt in haar proefschrift enkele kenmerkende stadia waar de meesten kanalen doorheen gaan.
Het kanaal heeft een ervaring gehad met een ‘niet-fysieke werkelijkheid’ buiten zichzelf. Als dat enkele keren is gebeurd, gaat die fase over in een soort zwangerschapsfase. Daarin ontstaat er een meer bewust besef van de realiteit van die niet-fysieke werkelijkheid. Dat besef gaat over in een herkenningsfase. Het kanaal is beter in staat de aard van het fenomeen te herkennen en te benoemen. Er is dan een acceptatie opgetreden. Daarna komt er een activerende fase. Het kanaal probeert doelbewust een kanaal te worden en zich op de bron af te stemmen. Die fase gaat over in een proces van integratie. Uiteindelijk kan het regelmatige contact met de bron tot gevolg hebben dat het kanaal een proces van zelfverwerkelijking op gang heeft gebracht. Het kanaal is dan een ‘mede-schepper’ van de boodschappen.
5.4 Kanaal Jane Roberts en de ‘entiteit’ Seth
We gaan kort in op het kanaal Jane Roberts. Zij staat model voor de vele kanalen die voor en na haar geleefd hebben. Zij was tijdens haar leven al legendarisch en had veel invloed.
Het begon voor de dichter/auteur Jane Roberts allemaal in 1963. Zij zegt zelf over die beginperiode: ‘Een ongelooflijke stortvloed van extreme, nieuwe ideeën kwam met een geweldige kracht in mijn hoofd op, alsof mijn schedel een ontvangststation was met een tot het ondraaglijke versterkt volume’ ... ‘het was alsof de fysieke wereld in werkelijkheid slechts flinterdun papier was en oneindige dimensies van de werkelijkheid verborg’. Al gauw kreeg zij te maken met de entiteit Frank Withers, die bekend maakte dat hij slechts een fragment was van een grotere entiteit. Hij noemde zichzelf ‘Seth’. Naar zijn idee maakte ook Jane Roberts deel uit van een grotere entiteit. In het begin werkte Roberts nog met een ouija-bord, maar later begon zij Seth ‘gewoon’ te horen. Meer dan tien boeken, de meeste gedicteerd door Seth, zijn op die manier tot stand gekomen en in grote oplagen over de toonbank gegaan. Gedurende haar gehele carrière is Roberts zich blijven afvragen of Seth misschien een onderdeel van haar eigen psyche zou zijn. Mogelijk was Seth de personificatie van haar ‘bovenbewustzijn’. Roberts ‘Ik geloof niet dat ik alleen vanuit mezelf een soortgelijk Seth boek zou kunnen schrijven. Dit boek is Seth's manier om duidelijk te maken dat de menselijke persoonlijkheid multidimensionaal is, dat we in vele werelden tegelijk leven, dat de ziel of het innerlijke zelf niet los van ons staat maar juist het middel is waardoor we bestaan...’. De belangrijkste boodschap van Seth is dat de mens steeds zijn eigen werkelijkheid schept, als onderdeel van een leerproces.
Naast Seth kwamen nog twee andere bronnen door: de 19e eeuwse Franse impressionist Paul Cézanne, en de Amerikaanse psycholoog William James.